Waarom we nooit moeten streven naar ruisloze muziek

En hoe compleet kansloos dat is.

|
okt. 14 2015, 12:00pm

Veel mensen denken dat ruis de ultieme vijand van muziek is. Muziek is zuiver, harmonieus en evenwichtig en ruis is een ergerlijke stoorzender. Het knopje “noise reduction” op je cassetterecorder (weet je nog?) zegt eigenlijk alles: van ruis moet je af. En hoe werd de CD in de jaren tachtig ook al weer aangeprezen? Het helderste, schoonste geluid dat je je ooit hebt gehoord. En die ontwikkeling gaat nog steeds door. Van super-audio (weet je nog?) tot de 'Pono'-HD-speler die Neil Young onlangs op de markt bracht: we lijken steeds dichter in de buurt van het perfecte geluid te komen.

Maar er is ook een andere kant. Iedere gitarist die zijn distortionpedaal eens flink intrapt of zijn versterker op 10 laat blazen, iedere producer die op zoek is naar een lekker ‘vies’ geluid en nog een extra ruisfiltertje over die drumtrack gooit en iedere hipster die uren door de vinylcollectie van de lokale platenboer graaft of (nog hipper) alleen maar obscure tapereleases aanschaft, weet instinctief dat ruis iets toevoegt. Het geeft nét dat extra randje dat de muziek echt ‘lekker’ maakt; dat je er steeds weer naar wilt luisteren.

Het is daarom kortzichtig om, zoals vaak gebeurt, de ruis in ‘noisy’ muziekgenres – van Slayer tot Public Enemy, van grunge tot grime, van dubstep tot grindcore, van de turntable in hiphop tot de glitches in IDM – alleen te associëren met geweld, verzet, lelijkheid en opstandigheid. In mijn eigen luisterervaring is het vaak juist die distortion, die rauwe synth of die gruizige snare die de muziek interessant, boeiend en mooi maakt. Niets revolutie, opstand of rebellerende tieners. De muziek wordt niet kapot gemaakt door ruis; ruis maakt de muziek! De vraag is dus: waarom is dat? Of, zoals componist Henry Cowell het in 1929 mooi verwoordde: wat zijn de joys of noise?

Een deel van het antwoord ligt besloten in de natuurkundige basis van geluid. De eenvoudigste definitie van ruis is ‘onregelmatig, chaotisch geluid.’ In het meest extreme geval (“witte ruis”) is er geen enkel patroon in de klank te ontdekken. Witte ruis is een geheel willekeurige en daarmee volkomen uniforme klankmassa. Denk aan het ruisen van de zee, of het geluid van witte sneeuw op je oude, analoge televisie. De toonhoogte van een klank wordt daarentegen juist bepaald door grotendeels gelijkmatige trillingen: een serie periodieke frequenties met een dominante basisfrequentie die bepaald welke toonhoogte wij horen. Het verschil tussen ruis en een zuivere klank zit hem dus in die gelijkmatigheid en daarmee in de voorspelbaarheid van het geluid, want iets dat heel gelijkmatig is, is heel voorspelbaar.

Een grotendeels gelijkmatig frequentiespectrum bepaalt dus de toonhoogte van een klank, maar de eigenheid van die klank wordt voornamelijk bepaald door onregelmatige trillingen: kleine ruisende toevoegingen aan de klank. Die klinken vooral in de eerste paar microseconden van een natuurlijke klank (de 'aanslag' of de 'attack') en worden bepaald door allerlei factoren: het materiaal van het instrument, de luchtdichtheid, de manier van aanslag, de akoestiek van de ruimte, etc. Het zijn deze onregelmatigheden in iedere klank, deze ruisdeeltjes, die een klank uniek en herkenbaar maken, die er voor zorgen dat je een gitaar van een piano onderscheidt, of de ene gitaar van de andere, maar ook de ene versterker van de andere, of de ene ruimte van de andere.

Een ‘pure,’ volledig ‘zuivere’ klank bestaat daarom eigenlijk niet. Je kan er technologisch wel een heel eind in de buurt komen, maar dan hoor je al snel dat er weinig saaier is dan zo’n periodieke, zuivere geluidsgolf. Het heeft geen identiteit, geen eigenheid, geen karakter. Karakter ligt besloten in de onregelmatigheden. In de ruis. Die onregelmatigheden kunnen we moeilijk voorspellen, waardoor ze veel meer informatie verschaffen dan die saaie gelijkmatige trillingen. De ruisdeeltjes doen ons de oren spitsen.

Daarom zijn het juist die verrassende aspecten van een klank die blijven hangen en er voor zorgen dat we het onthouden. Het is de ruis waar we ons aan hechten en die we telkens weer opnieuw willen horen. Natuurlijk zijn de melodie, het ritme, de akkoorden, de opbouw en vele andere muzikale aspecten net zo belangrijk, maar anders dan wat vaak wordt aangenomen, is ruis een essentieel onderdeel van onze klank- en daarmee onze muziekbeleving. Zonder ruis leefden we in een wereld van jaren negentig MIDI-klanken, waarin elk liedje min of meer hetzelfde klinkt.

Sinds de uitvinding van de geluidsopname door Thomas Edison in 1877 is dit ruisaspect steeds belangrijker geworden. Waar het verdomd moeilijk is om alleen met zwarte bolletjes en streepjes op papier over te brengen hoe je exact wil dat een klank klinkt, kan je een opname precies zo laten klinken als je wilt. Dat heeft een tijdje geduurd – vroege opnametechnieken waren verre van perfect – maar ergens rond het midden van de vorige eeuw bereikten we het punt waarop we iedere klank wonderbaarlijk accuraat konden reproduceren, inclusief alle ruisende complexiteit. De digitale revolutie deed daar qua mogelijkheden nog eens een stapje bovenop.

Maar ook geluidsreproductie is niet perfect. Het is geen magische toverdoos waar aan de ene kant precies uit komt wat je er aan de andere kant in stopte. Zoals het materiaal, de luchtdichtheid, de aanslag en de akoestiek het geluid van akoestische instrumenten beïnvloeden, zo is ook elke microfoon, elke versterker, elk snoer en elke compressor van invloed op het geluid. Studio's zijn daarmee eigenlijk een soort enorme ruismachines waarin het geluid door een grote hoeveelheid apparaten en snoeren heen gaat, die allemaal weer een klein beetje ruis, een klein beetje onregelmatigheid toevoegen. Ondanks het idee dat we langzaam afstevenen naar volledig ruisvrije opnames, weet iedere muzikant en technicus dat de kleinste technische details van invloed zijn op het eindproduct. Een geheel ruisloze opname is simpelweg onmogelijk. En het is bovendien niet nodig.

Natuurlijk is er goede en slechte ruis: een irritante brom in je versterker, een raar kraakje op de microfoon of een veel te hard suizen over je subtiele opname van een singer-songwriter leidt af van de muziek. Maar iedereen die wel eens in een studio heeft gestaan weet dat het opnemen van het meest ‘zuivere’ geluid in veel gevallen niet het doel is. De manieren waarop al die verschillende technologische schakels in de keten van een geluidsopname het geluid veranderen, kleuren en beïnvloeden zijn juist essentieel om die eigenheid en dat unieke karakter aan de muziek te geven. Geen zichzelf respecterende gitarist trapt een distortionpedaal enkel en alleen in om zijn geluid ‘kapot’ te maken, het is een heel bewuste artistieke keuze voor juist dát pedaal met díe settings in combinatie met díe versterker. Het is weldoordracht aangebrachte en daarmee artistiek cruciale ruis.

Het is natuurlijk een subtiele balans die sterk verschilt per genre. In Westerse klassieke muziek speelt ruis een minder prominente rol dan in lo-fi indierock. Al valt er ook daar niet aan te ontkomen, denk maar aan de rol van het slagwerk. En ook als je een symfonieorkest opneemt moet er gekozen worden op welke manier de opnametechnologie het geluid gaat kleuren, hoe subtiel misschien ook. Aan de andere kant van het spectrum staan artiesten als de Japanse noise-koning Merzbow. Bij hem heeft de ruis juist al het andere overwoekerd en is van enige orde niets meer te bekennen.

Ruis is dus niet alleen een leuk middel om heilige huisjes omver te schoppen. Als cruciaal aspect in muzikale klankrijkdom is het een belangrijke smaakmaker en onder invloed van geluidsopname is die factor alleen maar belangrijker geworden. Elke muziekgenre bevindt zich ergens tussen een Beethoven-strijkkwartet en een Merzbow-album op het spectrum van ruizigheid. Dus de volgende keer dat je buren, je vrienden of je ouders vragen waarom je nog steeds naar die (om het even welke) takkeherrie luistert kan je ze vertellen dat het verschil tussen metal en Mozart, tussen dubsteb en Debussy kleiner is dan ze denken. Het zijn immers allemaal tinten in een wereld van ruis.

Melle Kromhout is musicoloog en promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op het belang van ruis in opgenomen muziek. Check zijn onderzoeksblog voor updates.