Op zoek naar Popcaan

Vier dagen en nachten lang struinde ik Jamaica af op zoek naar Popcaan, de dancehall-ster die op het punt staat de wereld te veroveren.

door Lawrence Burney; illustraties door John Garrison
|
aug. 9 2018, 12:35pm

Het is ongeveer half vijf ’s nachts als Popcaan vlak voor me een intieme gebedscirkel vormt.

Ik probeer erbij te zijn, maar nog voor ik naar binnen kan stappen, trekt hij de rits van zijn backstage-artiestentent dicht. Nieuwsgierige omstanders, zoals ik, worden buiten gehouden. Als ze klaar zijn, lopen de dertigjarige Andrae Sutherland, zijn familie en zijn Unruly-groep samen richting het podium op Reggae Sumfest in Montego Bay, Jamaica.

Daar sta ik dan, voor de tent van Popcaan. Voor mijn gevoel ben ik mijlenver van alle andere fans verwijderd terwijl de dancehall-ster in de verte optreedt. Om hier te komen, heb ik de artiest de afgelopen 48 uur gevolgd over het hele eiland. Omdat ik niet wil dat een andere journalist hem eerder spreekt, besluit ik op precies deze plek te blijven wachten tot hij terugkomt. Dat blijkt lastiger dan verwacht. Ik ben moe, de batterij van mijn telefoon staat op twee procent en ik heb al uren geen water gedronken. De zon begint alweer langzaam op te komen, en het enige dat me momenteel nog overeind houdt is het feit dat ik Poppy’s versie van El Chapo in de verte hoor. Ik zing mee in de hoop wakker te blijven, terwijl festivalmedewerkers het terrein bewaken tegen fans die stiekem de artiestententen in proberen te glippen.

Als zijn set om zes uur ’s ochtends eindigt, keren Popcaan en de veertig anderen die eerder al bij de tent stonden terug. De muzikant loopt te midden van de groep. Hij ziet er verrassend fris uit na zijn optreden. Hij duikt zijn tent in terwijl zijn beveiliger zich weer naar de ingang begeeft. Even lijk ik weer terug bij af te zijn: het is bijna zeven uur ’s ochtends, ik ben nog steeds verschrikkelijk moe en laad mijn lege telefoon op, wachtend op een interview met de befaamde dancehall-dj – het soort artiest dat je alleen kunt spreken als je persoonlijk naar Jamaica afreist.

Dan gebeurt het eindelijk. Popcaan heeft tijd voor me. Zijn team begeleidt me naar de lounge waar hij, wonderbaarlijk genoeg, wacht om met me te kunnen spreken. Ik hoor zijn stem mijn naam roepen voor hij mijn gezichtsveld bereikt.

“Lawrence!”

Illustration by John Garrison

Een aantal dagen daarvoor staat de Knutsford Boulevard in Kingston, drie uur verderop, midden in de nacht helemaal vol mensen, zo ver als het oog reikt. Kleine groepjes vullen iedere uithoek van de straat. Ze praten met elkaar, wisselen joints uit of proberen wat bij te verdienen. Het begint zacht te waaien, en de drukkende hitte verdwijnt eindelijk nu het bijna vier uur ’s nachts is. Toch is het nog warm genoeg om onder het gele licht van de straatlantaarns druppels zweet op de voorhoofden te zien. Hoewel de zon over anderhalf uur al opkomt, geven het geluid van de pratende mensen en het getoeter van voorbijrazende auto’s je het idee dat de nacht nog jong is. Maar dan verandert het ineens in een scène uit The Fast and the Furious, als een groep van vijftien motorrijders uit het niets met hun felle koplampen de straat in scheurt.

Van een afstandje kijk ik toe hoe de mannen van hun motors afspringen en samen richting de deur van de Triple Century Sports Bar & Grill lopen, een populaire bar en lounge in New Kingston. De felle kleuren van een jasje vol blauwe en roze bloemen komen dichterbij, en het enthousiasme onder de mensen groeit. De man die de outfit draagt is, uiteraard, niemand minder dan Popcaan. De dancehall-dj heeft hier om de hoek bij Triple Century Car Park net zijn set van bijna drie uur afgerond, waar hij zijn dertigste verjaardag en de release van zijn tweede album Forever mee vierde.

Ik ben in Jamaica op uitnodiging van Red Stripe, de hoofdsponsor van Sumfest. Dit grootste festival van het eiland is opgedeeld in twee nachten: de ene is voor dancehall, de andere voor traditionele reggae. Maar in de nachten voorafgaand aan het festival is het mijn taak om de ongrijpbare artiest te pakken te krijgen, ondanks het feit dat hij de media normaal gesproken liever op afstand houdt. Het is inmiddels vier jaar geleden sinds Popcaan zich aan de wereld liet horen met zijn autobiografische debuutalbum Where We Come From. Sindsdien is de voormalige protegé van dancehall-god Vybz Kartel een muzikale bondgenoot van Drake geworden, maakte hij tracks met Young Thug en is hij zelfs te horen op een album van de Gorillaz.

Popcaan is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een cultureel icoon in Jamaica. Maar met Forever hoopt hij de rest van de wereld nu ook te veroveren.

Eerder deze avond, rond een uurtje of één, loopt Poppy het podium op in Triple Century Car Park. “All who seh Kartel fi free seh FREE. And any bomboclaat boy diss Kartel dem dead!” schreeuwt hij met een nasale stem. Hij toont hiermee zijn respect voor Vybz Kartel, het dancehall-icoon dat Popcaans naam verspreidde door hem in 2008 lid te maken van de Portmore Empire, maar nu levenslang gevangen zit. Belangrijke achtergrondinformatie voor iedereen die niet zo bekend is met Popcaan dus. Het eerste uur danst hij, gehuld in het zwart met een paar Unruly-kettingen, over het podium. Hij neemt selfies met zijn fans en omhelst alle vrienden die op het podium verschijnen even enthousiast. Af en toe pakt hij de microfoon om mee te zingen met het album, maar over het algemeen voelt het alsof de avond meer draait om het vieren van het leven dan om zijn nieuwe muziek.

De uren daarop verschijnt het ene na het andere Unruly-lid op het podium, waar iedere artiest Popcaan een fijne verjaardag wenst voor ze met hun nummer beginnen. Jaffras, een lid van Unruly met een lage stem, voert War Mi Nu op, wat zijn eigen versie is van het Not Nice-riddim dat oorspronkelijk voor El Chapo werd geproduceerd. Maar bij Triga Finga, het enige Japanse lid van Unruly (waar dancehall momenteel gigantisch populair is), gaat het publiek helemaal los. De meest opvallende verschijning van de avond is zonder twijfel een jongen genaamd Zion. Hoewel hij er niet veel ouder uitziet dan twaalf jaar, schiet Popcaan – die inmiddels een decadent gebloemd jasje draagt - een paar gunshots op hem af met zijn vingers en houden de mensen om hem heen hun brandende aanstekers in de lucht.

Terwijl het feest nog in volle gang is, word ik uit de drukte getrokken en meegenomen naar de ingang van de locatie. Hier word ik voorgesteld aan Cuzz en Petro, twee leden van Unruly. Ik heb ze regelmatig voorbij zien komen op Instagram en hoop dat zij me kunnen helpen om het interview met Popcaan te regelen. Cuzz heeft cornrows en een shirt van Unruly aan, maar is niet zo spraakzaam. Petro kan me gelukkig wat meer vertellen en zegt: “Blijf hier, als hij klaar is kunnen we het doen.” Gezien de omstandigheden van de avond klinkt zijn bevestiging iets te direct om waar te kunnen zijn. De rest van de avond zie ik ze niet meer, tot ze op hun motors aankomen bij Triple Century en voor zoveel opschudding zorgen dat de deur van de club sluit zodra Popcaan binnen is.

Where We Come From, het debuutalbum van Popcaan uit 2014, vertelt het verhaal van de opgroeiende artiest. Met dit album maakte hij meteen duidelijk dat hij ook als soloartiest in staat is om crossover-hits te maken. Everything Nice, dat onder Dubbel Dutch werd geproduceerd, was een van de meest populaire nummers uit de Caraïben in 2014. Het luchtige en popachtige geluid zorgde ervoor dat het wereldwijd werd gedraaid, terwijl nummers als The System en Ghetto (Tired of Crying) hem een podium gaven om zijn frustratie te uiten over het zien (en ervaren) van de manier waarop onderdrukking mensen sloopt.

Niet lang daarna was hij te horen in nummers met Young Thug en zette hij zichzelf op de kaart als iemand die je niet uit het oog moet verliezen – zelfs buiten de wereld van dancehall. In de tijd tussen zijn twee albums in begon hij ook regelmatig samen te werken met Drake, wie uit liefde voor Poppy’s geluid zijn muziek naar de mainstream haalde (hoewel zijn bijdrage aan het succes van de artiest door de Amerikaanse media nogal wordt overdreven).

In vergelijking met zijn debuutalbum lijkt Forever specifieker in te gaan op wat er allemaal in het leven van Popcaan gebeurt. Desondanks zijn veel van de nummers makkelijker te luisteren dan die op Where We Come From. Het eerste nummer, Silence, is een sluipende track over klaar zijn met de mensen die je in je leven toelaat. “Be careful who you confide inna,” waarschuwt Popcaan – wees voorzichtig met wie je vertrouwt. “Me nah lie,” geeft Poppy toe. “Me love me family, but me nuh trust the whole a dem.” Hij liegt niet en hoewel hij van zijn familie houdt, vindt hij het lastig anderen te vertrouwen, vertelt de artiest. Lef My Gun heeft de meeste potentie om een hit te worden. Toch is het een enorm zelfbewust nummer dat uitlegt hoe belangrijk het is om op je hoede te zijn in een wereld vol hebzucht en afgunst.

Het feit dat de in zichzelf gekeerde Poppy op dit album zulke persoonlijke teksten levert, is niet de enige reden dat Forever zo geniaal is; het bevat ook een aantal langzamere nummers die je meerdere keren moet beluisteren om ze volledig te begrijpen. Pas wanneer de laatste zomerdagen in zicht zijn, zullen die tracks tot ons doordringen. Deze zachtere kant van Popcaan was er zonder twijfel altijd al, we hebben het simpelweg nog niet eerder gezien. Naked, naar mijn mening een van de beste nummers, is zwoel en langzaam met een geluid dat zo uit een remix van T-Pain zou kunnen komen. Through the Storm is een smeekbede om vergiffenis en klinkt alsof het tot stand is gekomen op het podium van MTV Unplugged.

Na twee dagen in Kingston te hebben doorgebracht zonder interview in zicht, kom ik op een hete vrijdagavond in Montego Bay aan, waar ik Popcaan een paar uur later een gebedscirkel zal zien vormen. Rond één uur die nacht kom ik aan bij de Catherine Hall Festival Grounds, waar Reggae Sumfest plaatsvindt. Hier zal Popcaan over een paar uur de dancehall-nacht afsluiten met zijn set. Op het festivalterrein lijkt alles rood, groen en goud te zijn. Waar je ook kijkt, komen de kleuren je tegemoet – van de hekken tot de hoofddeksels en zelfs de eettentjes. In de vipruimte lopen opkomende dancehall-artiesten en de oude garde, zoals Bounty Killer en Aidonia, door elkaar. En dan zijn er nog de lokale televisiezenders, die de artiesten live interviewen.

Ik voel de grond trillen van de muziek op het hoofdpodium en besluit die kant op te lopen om te zien wie er speelt. Ik ben blij als ik zie dat het Spice is, de koningin van de dancehall. Ze wordt in een troon het podium op getild door mannen verkleed als personages uit de superheldenfilm Black Panther. Haar kenmerkende blauwe haar zit in een strakke staart achterop haar hoofd en gekleed in het uniform van de Dora Milaje (het vrouwelijke strijdersteam van Wakanda, uit Black Panther) zingt ze “the black race is unstoppable”. Ze zingt Sheet en Like It, en maakt haar eigen versie van Boo’d Up, de hit van Ella Mai. “Feeling. I’m caught up my feelings/ Found out that I couldn’t breathe when he cheated on me / Oh I wish I could get a chance to create my own man,” zingt ze luidkeels. Naast me staat een jonge vrouw in een volledig witte outfit, die schreeuwt bij alles wat Spice zegt, selfies neemt en wat pistoolschoten met haar vingers maakt.

Spice sluit haar set af met een cover, waarna ik terugkeer naar de vipruimte. Ik besef dat Popcaan over twee uur op moet, en loop richting de artiestententen waar normaal geen enkele buitenstaander bij kan. Het terrein lijkt wel een doolhof. Iedere tent ziet er hetzelfde uit: wit, met een grote rits in de voorkant. Nergens zijn naambordjes te vinden waarop je kunt zien wie in welke tent zit. Ik ben high, bijna iedereen om me heen is high. Vlak bij de backstage-ingang wordt een man zonder geldig toegangsbewijs tegengehouden door zes gigantische bewakers. Ik begrijp niet waarom het er zoveel zijn. “Het boeit me niet wie je bent! Luister naar me,” schreeuwt een bewaker met een indrukwekkend glanzend kaal hoofd tegen de man. Hoewel de woordenwisseling niet veel langer dan twee minuten duurt, zie ik door alle wiet in mijn lichaam iedere seconde voor me afspelen alsof het een filmscène is.

Als ik verderloop achter de schermen kom ik Corey Todd tegen, een Amerikaanse zakenman die tien jaar geleden samenwerkte met Vybz Kartels om hem een breder publiek te helpen aantrekken. Hij vertelt me dat hij binnenkort teruggaat naar de Verenigde Staten om jonge dancehall-artiesten te promoten. We kletsen wat terwijl hij telefoontjes pleegt en handen schudt met zo’n beetje iedere persoon die voorbijloopt. We nemen afscheid en ik loop doelloos rond tot een vriend me richting de tent van Popcaan trekt, aan het einde van het terrein. Hoe dichterbij we komen, des te groter de mensenmassa wordt. Ik herken een aantal mensen van de albumrelease in Kingston eergisteren. Het zijn Dre Island, Cuzz, Petro en Quada.

Uiteindelijk sta ik recht voor de tent van Poppy. Een man met cornrows, een vlassige baard en een wit pak aan bewaakt de ingang met zijn leven. Hij wimpelt regelmatig bezoekers af die niet op het terrein horen te zijn, maar wel bij Popcaan in de buurt proberen te komen. Voor de tent wordt de ruimte steeds krapper. Het lijkt alsof er wel honderd andere mensen staan, en ik vraag me af of Popcaan vlak voor zijn optreden überhaupt in deze chaotische ruimte is.

Inmiddels heb ik geaccepteerd dat een interview in deze hectiek waarschijnlijk nooit gaat lukken, maar ik blijf nog even hangen om te zien wat er allemaal gebeurt. Voor ik het weet slaat de klok bijna half 4 ’s nachts en wordt het geratel van de mensen steeds luider. Kinderen spelen rond de tent, en rennen naar binnen en naar buiten. De man bij de ingang heeft er zijn handen aan vol. Dancehall-ster Aidonia komt aanlopen, groet de bewaker en slaat de luifel van de tent open. Daar staat Popcaan. Bij het zien van Aidonia verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Vlak voor ze elkaar omhelzen, springt Aidonia vol enthousiasme op en neer, alsof hij zich klaarmaakt om het podium op te stappen. Dan sluit de tentluifel weer, en komen de acht seconden vol plaatsvervangende vreugde tot een abrupt einde.

Nadat ik weer een paar minuten sta te wachten, begint een Rastaman van middelbare leeftijd ons te entertainen (althans, dat dacht ik). Hij wiegt heen en weer terwijl hij ritmisch met zijn kalebas-shakers schudt. In eerste instantie lijken de kleine percussie-instrumenten alleen voor nog meer herrie te zorgen, maar na vijftien minuten hetzelfde ritme te horen, kom ik in een soort trance terecht. Het maakt me niet meer uit dat ik al zo lang sta te wachten, dat ik Popcaan nog steeds niet heb geïnterviewd en al drie uur geen water heb gedronken. Het geluid van de kalebassen is het enige dat ik hoor. De tijd staat stil. Maar dan haast iedereen zich uit het niets de tent van Popcaan in, alsof er een signaal wordt gegeven dat ik niet kan horen, terwijl het geluid van de Rastaman nog altijd doorgaat.

Popcaan's prayer circle. Illustration by John Garrison.

Mensen rennen de tent in en eindelijk kan ik Popcaan goed zien. Daar staat hij dan, met zijn armen majestueus naar de hemel gericht en zijn ogen gesloten. De mensen die het lukte om de tent in te komen, staan in een dichte cirkel om hem heen. Het ziet eruit alsof ze zich voorbereiden op een soort van gebed. Het witte koppel (dat niet het juiste toegangsbewijs had) staat eenzaam buiten de tent. Ze proberen de buitenste rand van de gebedscirkel te bereiken, maar worden tegengehouden door de gespierde arm van Cuzz. “Aan de kant!” roept hij. Wat mediamensen glippen naar binnen, maar Cuzz vraagt ze te vertrekken – deze keer zonder arm in het gezicht. Nu alle indringers verjaagd zijn, wordt de tent weer gesloten. Het is volledig stil, tot Popcaan aan het einde van het gebed “DEM DEAD” schreeuwt, zoals hij dat ook bij het eerbetoon aan Vybz Kartel deed tijdens zijn feest in Kingston.

Hoewel het hele tafereel maar kort duurt, ben ik blij dat ik het heb mogen meemaken. Popcaan mag dan een afkeer van de media hebben, de media staan vol over het leven van de popster. Het doet dan ook veel met me om hem in zo’n intieme situatie te zien, omringd door zijn vrienden en familie die hem hun liefde geven voor hij zijn energie laat losbarsten voor duizenden enthousiaste fans. Zelfs in een wereld vol sociale media zien we maar zelden zo’n menselijke en oprechte kant van onze favoriete artiesten. Ook zij hebben soms hun dierbaren nodig om het werk te kunnen doen dat voor de buitenwereld zo normaal lijkt.

“Lawrence!”

Ik weet niet zeker of dit echt gebeurt, of dat ik langzaamaan gestoord word door het slaaptekort.

Ik kijk om me heen en zie hem staan – zijn haar hangt in twee vlechten langs zijn gezicht, zijn kleding is zwart en een ketting zonder hanger bungelt om zijn nek. We schudden elkaar de hand, en ik bedenk me hoe ironisch het is dat ik hem 48 uur lang heb achtervolgd, van Kingston naar MoBay, om nu eindelijk samen te komen in een medialounge die nog het meest wegheeft van een kantoorshowroom bij de Ikea. Ik krijg te horen dat ik hem maar twee vragen mag stellen, toch voelt het nog steeds alsof het de moeite en het wachten volledig waard was.

Ik vraag naar het groepsgebed.

“Het is gewoon iets wat me van jongs af aan is geleerd, snap je? Je moet je familie dicht bij je houden,” vertelt Popcaan. “Het eiland is spiritueel. We leven in een spirituele wereld. Daar moeten we ons ook bewust van zijn. Ik geef de mensen om me heen energie en zij geven mij energie. Zo werkt dat nu eenmaal.”

Precies dat – het idee dat je moet geven wat je wil ontvangen – klinkt door in Forever, zelfs in de nummers die niet expliciet over de persoonlijke visie van de artiest lijken te gaan. Nummers als Silence kunnen je helpen om je langs mensen te bewegen die hun kwaadaardige bedoelingen verbergen, terwijl Superstar (waarin wordt gezegd dat je vol trots je eigen lofzang moet zingen) een even belangrijke boodschap uitdraagt. Probeer de goede dingen in het leven te zien, zelfs als je geduld op de proef wordt gesteld – dat is de boodschap die Popcaan, zoals zoveel fantastische Jamaicaanse artiesten die hem voorgingen, aan onderdrukte bevolkingsgroepen wereldwijd wil meegeven.

“Ik neem mijn woorden heel serieus,” vertelt hij met een zachte stem als we het over Forever hebben. Hij slaat zijn armen over elkaar heen. “Sommige dingen zou ik nooit zeggen of zingen, omdat ik altijd positief probeer te blijven. Dat is momenteel het belangrijkst voor me. Ik probeer God met mijn teksten duidelijk te maken waar ik naar streef.”

Tijdens ons gesprek staan er iets van vier cameramannen voor ons om het interview vast te leggen. Als ik opkijk, word ik verblind door de felle lichten. Even voelt het alsof we ons op de rode loper van een awardshow bevinden. Als ik besef hoe weinig tijd ik heb, probeer ik verder te gaan en de camera’s te negeren. Voor onze wegen weer scheiden, vraag ik Popcaan hoe hij zijn persoonlijke ontwikkeling in de vier jaar tussen Where We Come From en Forever ziet. Ik wil weten of het verlangen om als een van de grootste dancehall-artiesten gezien te worden zijn keuzes bij het maken van het nieuwe album heeft beïnvloed.

“Mijn nummers richten zich nu meer op de vrouwen. Ik zing meer over de dingen die momenteel in mijn leven gebeuren. Het is een stuk duidelijker, snap je?” zegt hij. Hij kijkt me aan en vermijdt de camera’s die nog steeds in dezelfde positie staan als toen we plaatsnamen. “Wij mensen maken allemaal dezelfde moeilijkheden mee. Als het me dus lukt om die moeilijkheden te overkomen, deel ik dat graag met mensen. Ik wil dat ze weten dat ik het soms ook moeilijk heb. Zo geef ik ze de moed om door te zetten.”

Where We Come From gaf ons een kijkje in de wereld van Popcaan, met levendige nummers die mensen in dezelfde situatie als hij opvrolijken. Met Forever geeft Popcaan zijn fans ook hoop, maar dan door zijn eigen intieme ervaringen te delen. De muziek waarin hij het heeft over feesten en flirten maakt hem geliefd onder een breed publiek. Maar juist degene achter die muziek (met zijn bijzondere onderwerpkeuzes, opvallende stem en internationale aantrekkingskracht) is wat hem onder de mensen brengt waarvan hij hoopt dat ze zich in zijn kunst kunnen vinden.

Precies dat zorgde ervoor dat Vybz Kartel deze jongen met zulke grote dromen tien jaar geleden onderdeel maakte van Portmore Empire.

“Als ik sommige dingen en woorden zeg, raakt dat me echt. Maar het geeft me ook de kans om te groeien. Daarom zing ik iedere zondag over de dingen waar ik van droom, zodat God dat hoort,” zegt hij, voor we om half acht ’s ochtends weer afscheid nemen. “Zo krijg ik wat ik wil.”

Volg Noisey op Facebook , Instagram en Twitter .