Quantcast

Ik werd eerst gehypnotiseerd en daarna bedonderd door zeven hippies

Koen van Bommel

Koen van Bommel

Het nogal chaotische eerste interview met LatinLovers.

Het is een rommeltje geworden, bedenk ik me als ik wegfiets van het interview met LatinLovers. Maar de vraag is of dat erg is. De vraag is ook of er wel een andere uitkomst had kunnen zijn. Een zevenkoppige band interviewen is geen sinecure.

LatinLovers is een psychedelische rockband, maar het zou net zo goed een sekte kunnen zijn. Zelf noemen ze het een bijenkorf. Pardon? “Een anarchistische bijenkorf, zonder koningin, maar met alleen werkbijen.”

Ik snap het nog niet helemaal.

“We zijn een goed geoliede machine, maar dan met heel veel honing in plaats van olie.”

Juist.

Ze hebben het over een harem. Wat later zal de zanger vertellen dat hij gefascineerd is door Charles Manson. Dat verbaast me eigenlijk niet. Als LatinLovers werkelijk een sekte is, zou ik me er graag bij aansluiten.

Een tijdje terug was ik getuige van het allereerste optreden van LatinLovers, op een willekeurige donderdagavond in Garage Noord. Ik was daar toevallig, weliswaar in de wetenschap dat er een bandje zou spelen, maar totaal onvoorbereid op wat me te wachten stond. De eerste aanwijzing dat er iets bijzonders zou gaan gebeuren, was te vinden in het publiek. Vlak voor het optreden begint, stroomt de zaal vol met jonge mensen van begin twintig in bonte kleding. Ze lijken zo uit een documentaire over hippies uit de jaren zeventig geklommen.

Dan is het donker. De band begint te spelen. Ik weet niet meer waar ik ben. Ik zit op de bar. Nee, ik ben een slang, gehypnotiseerd door een man met een fluit. De hippies beginnen loom te dansen. Ze lijken ook betoverd, maar ze zijn ook op hun gemak, alsof ze het gewend zijn. Ik wil ook dansen. Ik ga zo dicht mogelijk bij het podium staan. Ik heb geen keus. Dan zingt een zware stem: “There is no turning back.”

“Wie zijn dit, in godsnaam?”, vraag ik aan een jongen die naast me staat en eruitziet alsof hij het antwoord weet.

“Dit zijn de Kinderen van Mokum, de laatste krakers van Amsterdam.”

“De wat?”

“Er wordt de laatste tijd veel over ze geschreven in de media.”

Inderdaad. Thuis vind ik een groot artikel van het Parool (achter een betaalmuur) over een groep krakers die een pand in de Utrechtsestraat hebben gekraakt. Ik lees verder en zie dat ze eruit moesten en nu ergens in de Jordaan zitten. Maar ik vind niks over een band.

Als ik naar LatinLovers zoek op internet, vind ik eerst alleen een feest met dezelfde naam:

Hèhè.

Uiteindelijk kom ik na een korte speurtocht via SoundCloud en Facebook terecht bij iemand waarvan ik vermoed dat-ie in de band zit. Het blijkt te kloppen. Ik vraag of ik ze mag interviewen, en twee weken later zit ik op het terras van Pacific Parc met zeven jongens van begin twintig, waarvan er eentje een jurk draagt, een ander een badpak en nog eentje een kerstmuts. “Gisteren op straat gevonden.”

Ik vertel over hoe ik het optreden heb ervaren en dat ik me vooral afvraag wat me in godsnaam is overkomen.

“Ik denk dat je overvallen bent door onze harem.”

Dan vertel ik over de jongen uit het publiek die me vertelde dat ze de groep krakers zijn die zichzelf de Kinderen van Mokum noemen. Ik vraag of dat klopt.

“Wie zei dat?”

Dat weet ik niet. Ik zeg dat ik dacht dat hij erbij hoorde.

“Nee, wij zijn niet de Kinderen van Mokum. We kennen ze wel, via via. Je zou kunnen zeggen dat ze ook bij de bijenkorf horen.”

Shit. Dit was een van de redenen dat ik ze zo graag wilde spreken: een stel idealistische krakers, die een boodschap uitdragen tegen commercialisering, de vertrutting van de stad, het gebrek aan betaalbare woonruimte, maar daarnaast ook nog eens een sicke band hebben, waarvan de bandnaam doet vermoeden dat ze humor hebben. Helaas word ik ruw uit die droom gewaakt.

Wonen ze wel in een kraakpand?

“Nee.”

Shit. Bijna alle vragen die ik wilde stellen gingen over dit onderwerp.

“Hoezo zei iemand in het publiek dat dan? Dat is toch gek?”, probeer ik nog.

“Geen idee, man.”

We hebben het over hun andere band, Disastertje, waar vijf van de zeven jongens ook in zitten, en die al langer bestaat. Een uit de hand gelopen schoolband, die begon met “hele lieve kinderpunk.”

We hebben het over hun teksten, die op mij overkwamen als politiek geëngageerd. Disastertje heeft een nummer met de titel We Don’t Want Geert en Sale van LatinLovers gaat over al je spullen verkopen, omdat je er toch niet in geïnteresseerd bent. Ik vraag of ze hun muziek zien als een manier om een boodschap over te brengen.

“Ja, maar dat is heel natuurlijk gekomen. Het was geen vooropgezet plan, dat het daarover zou gaan. We schrijven over wat relevant is voor ons, dingen die we over willen brengen.”

Maar wel met humor, toch? Ik leg uit dat je namen als Disastertje en LatinLovers moeilijk serieus kunt nemen, evenals mensen die een badpak aantrekken naar een interview.

“Humor is een goed middel om je boodschap over te brengen. Je moet jezelf niet te serieus nemen. Ik denk dat je de politieke kant ervan serieus moet nemen, maar het wel moet balanceren met minder serieuze dingen.”

Ik krijg het verhaal achter de bandnaam te horen. Een van jongens werkte in een kroeg waar ook een Braziliaanse vrouw van middelbare leeftijd werkte. “Op een dag kwam ik daar eh, fatsoenlijk gekleed aan en toen zei die vrouw: ‘Wow, you look like a Latin lover. Een van onze vrienden was daarbij en vond het hilarisch. Toen werd ik een tijdje gepest omdat ik een Latin lover was.”

Ik vraag wat ze zoal doen in het leven. De meeste zeggen niks te doen. Eentje studeert voor arts, twee zouden wel naar het conservatorium willen. De zanger zegt een beetje te knutselen met tekst. Een andere jongen vindt het leuk om “een beetje te kutten met een lasapparaat,” en last fietsen aan elkaar, die hij dan aan het plafond vastmaakt.

De jongen met de kerstmuts vertelt dat hij twee of drie keer per week naar een andere stad gaat om daar een avondwandeling te maken, en verder zoveel mogelijk in bed ligt.

Ik wil weten hoe vaak en waar ze oefenen. Als ze zo weinig te doen hebben, zullen ze toch wel veel tijd in de band steken. Het blijkt dat ze nog zoeken naar een oefenruimte. “Mogen we van dit moment gebruik maken om de Q Factory te bashen?”

Dat mag.

“Dat is overgenomen door een rijke stinkerd. Heb je de documentaire Buying the Band gezien? Zelfde man. Sinds hij de baas is, zie je een duidelijke trend: het wordt steeds duurder, maar de kwaliteit wordt steeds minder. Ze investeren in een hotel, een restaurant, een café, maar de repetitieruimtes zijn halfbakken.”

Ik opper dat ze misschien toch iets zouden moeten kraken. Het blijft even stil.

“Mogelijk.”

“Wie weet.”

“Als je naar de Kinderen van Mokum kijkt: die moeten er ook om de acht weken uit.”

Ik zeg dat ik toch wel benieuwd ben naar wat die relatie met de Kinderen van Mokum dan eigenlijk is. “Waarom zegt iemand in jullie publiek dat jullie dat zijn?”

“Omdat wij ook kinderen van Mokum zijn.”

Zijn het vrienden?

“We hangen rond in dezelfde kringen.”

“Een Kind van Mokum is Amsterdammer die zich thuis voelt in deze stad. Die krakers, dat zijn mensen die dat idee hebben, dat het hun stad is, maar dat die niet voor hen beschikbaar is.”

Het is gezellig, we drinken bier, het interview is een keer afgelopen, ik zeg dat ik zo nog een foto wil maken. Dan staat een van de jongens op en zegt: “We moeten even wat met elkaar bespreken.”

Prima. Ze waren eerder ook al even naar het toilet om zich om te kleden. Ze zullen iets gaan bespreken over de foto’s die ik ga maken. Ze verdwijnen alle zeven voor een kort overleg. Ze zijn snel weer terug.

“Je hebt het vast al wel gemerkt…”

Ik schrik eventjes. Ik heb eigenlijk helemaal niks gemerkt. Zouden ze het een stom interview vinden? Ik voel me weer eventjes zestien en dat mijn vriendinnetje het uitmaakt zonder dat ik de bui voelde hangen. Shit. Ze willen vast niet dat ik nog iets over ze schrijf. Ik heb iets fout gedaan.

Dan komt de aap uit de mouw.

“Ja, nou, we zijn natuurlijk wél de Kinderen van Mokum.”

Totale verwarring. Wat gebeurt hier nou weer. Ik zeg dat ik het wel vermoedde, maar dat ik ze ook geloofde toen ze zeiden dat ze het niet waren. Waarom zou je erover liegen?

“Nou ja, straks schrijf je al onze namen op.”

Ja, dat klopt wel, zeg ik. Als ik ze alle zeven kan onthouden.

“We willen de band en het kraken gescheiden houden. Het blijft natuurlijk illegaal. Als iedereen straks weet hoe we heten, wordt het wel heel makkelijk om ons in de gaten te houden. Het is wel fijn als je niet met je volle naam genoemd wordt in de media.”

We spreken af dat ik alles opschrijf, maar geen namen noem. Stiekem ben ik enorm opgelucht. Alsof ik nog weet wie van de zeven wat precies heeft gezegd.

Bovendien: wie heeft er nog een naam nodig als je in een anarchistische bijenkorf zit?

De LatinLovers spelen op 23 juni in Cinetol . Pas op, want op diezelfde dag is er ook een feest van Latin Lovers in de Winkel van Sinkel in Utrecht (wie weet is dat ook wel heel leuk hoor). Op 4 augustus spelen ze in Pacific Parc.