Alle foto's door Sander van Dalsum

Ik ging met mijn moeder naar Tomorrowland

Na een dag beukende EDM, kolkende mensenmassa’s, en mijn mama’s onuitputtelijke vreugde, ben ik een stuk minder cynisch als het om festivals gaat.

|
jul. 24 2018, 5:58pm

Alle foto's door Sander van Dalsum

Ik was dertien toen ik voor het eerst naar een festival mocht van mijn ouders. Ik dronk nog geen slok alcohol, ouwelullenband The Cult was de headliner en om 11 uur ‘s avonds werd ik alweer opgehaald door mijn moeder. Het was geen bijzonder noemenswaardige festivalervaring, maar ik keek hier gerust een jaar naar uit. Maandenlang lag mijn outfit al klaar, de week voor het festival nam ik een foto van Avril Lavigne mee naar de kapper, en ik kocht mijn eerste digitale fototoestel zodat ik alles kon vastleggen. Ik ben nu vijfentwintig jaar oud en na tientallen festivals meegemaakt te hebben, kan ik je met volle overtuiging zeggen: ik heb er weinig zin meer in.

Misschien hoef ik niet meer elke zomer geconfronteerd te worden met mensen die in hun eigen mdma-zweet creperen, misschien eet ik doordeweeks al genoeg slappe friet terwijl ik onverklaarbare huilbuien heb, of misschien heb ik telkens te veel verwachtingen die niet ingelost worden. Ben ik hier nu al te oud voor geworden?

Mijn moeder heeft veel meer jaren op de teller dan ik, maar is toch stukken minder cynisch. Zij zit al drie jaar trouw klaar achter haar computer om een ticket voor het Vlaamse EDM-festival Tomorrowland te scoren, en plaatst in de weken voor het evenement minstens vijf uitingen van voorpret op Facebook. Ik besef dat het schandalig is dat haar dochter (die de helft van haar leeftijd is) te moe is geworden voor festivals. Aangezien mijn mama mijn grootste inspiratiebron is, besloot ik met haar mee te gaan.

Tomorrowland is het grootste dancefestival ter wereld – vorig jaar waren er vierhonderdduizend bezoekers van over de hele wereld die er fistpumpend hun zuurverdiende centen opsoupeerden. Voor een ticket hoest je al snel honderden euro’s op, als je de vliegtickets en overnachting niet meerekent. Wat het voor zoveel bezoekers (en mijn moeder) de moeite maakt is dat Tomorrowland (naast de indrukwekkende line-up, als je van het genre houdt) door de aankleding een soort Efteling is. Je moet weten dat mijn mama eigenlijk vooral luistert naar klassieke muziek en Billie Holiday, en een grondige hekel heeft aan boenkeboenk-muziek (haar woorden). Toch vindt ze het heerlijk dat Tomorrowland zoveel moeite steekt in de hele entourage. Dit jaar is het thema ‘The Story of Planaxis’, oftewel: iets met de zee en schelpen.

Een week voor het festival stuurt ze me een appje over hoe dat thema zich gaat weerspiegelen in haar kledingkeuze. Anders dan de gemiddelde festivalbezoeker die inspiratie opdoet bij Zalando, creëert mijn moeder met een palmbomenhoofddeksel en een paar functionele bergschoenen een eigen personage. Die ziet er zo uit:

"Mijn thema: aangespoelde zeemeermin met nog restanten van palmboom in de haren, en met stevige wandelschoenen omdat ik het niet gewend ben om te lopen vanwege mijn vroegere vin/staart," aldus mijn moeder.

De ochtend van Tomorrowland (en zoals elke ochtend voor een festival) heb ik geen zin meer. Daarbij sta ik op met een gigantische kater, het is ontzettend heet buiten en ik moet vanuit Amsterdam uren reizen om er te komen. Hoewel ik dacht alleen te zijn in deze festivalspijt, gaat mijn mama door dezelfde emoties als ik. Ze is uitgeput, kijkt op tegen de muziek en wikkelt zichzelf in de zelfmedelijden. Ze zegt in een appje wat elke festivalganger op zo’n moment wel eens gedacht heeft: “Wat bezielt me.”

Door haar bericht schemert ook de reden waarom we allemaal jaarlijks toch een volksverhuizing doen naar een festivalterrein: we willen samen zijn, herinneringen creëren en geen enkel kostbaar moment met vrienden mislopen.

Een lange treinreis, een iets kortere autorit en veel geslenter later zien we elkaar eindelijk op het festivalterrein. Mijn mama heeft nog even geen energie en moet wennen aan het feit dat ze nu omringd wordt door bro’s (m/v) die zich in een constante staat van euforie bevinden. Ik snap wel waar die collectieve vreugde vandaan komt: de muziek dreunt uit de indrukwekkende fantasievolle podia, de zon schijnt zonder één wolkje aan de lucht, en we worden omringd door fabelachtige wezens op metershoge stelten, lichtgevende paddenstoelen en een draak die vuur spuwt. Het instinct van m’n moeder zegt dat ze moet vluchten voor de overdaad aan prikkels, maar toch beslist ze zich over te geven aan wat zij eerder beschreef als “de madness”.

Een blije mama.

We gaan samen naar de mainstage waar Salvatore Ganacci speelt, de dj-clown die een dag later viral ging met de dansbewegingen die hij uithaalde tijdens zijn set. Terwijl ik vol afgrijzen staar naar hoe hij het podium droogneukt, ziet mijn moeder er de schoonheid wel van in. “Ik hou niet van de muziek, maar zodra er gezongen wordt in de liedjes, vind ik het wel echt mooi,” vertelt ze. Ook waardeert ze het dat de “diskjockey” meedanst, maar ze kijkt vooral uit naar het moment dat de set afgelopen is – dan begint er namelijk een show waarin zwevende acrobaten verkleed als kwallen en orka’s de hoofdrol spelen, terwijl een robuuste voice-over vertelt hoe wij als mensheid samen moeten werken aan een mooiere wereld. Mijn moeder krijgt op dat moment tranen in haar ogen. “Ik vind dit echt heel erg mooi,” zegt ze. “Waar vind je een festival met zo’n boodschap? Nergens!”

Mijn moeder en ik op het gras aan de mainstage.

Ik knik instemmend en we gaan even op het gras zitten. Mijn moeder is – net zoals veel van de andere bezoekers – vastberaden om deze dag vast te leggen. Ze beslist dat ze een foto wil hebben waarop ze in de armen van haar vriend springt, want dat deden een stel jongere, iets atletischere Zweden naast ons ook. Gelukkig is mijn moeder schaamteloos, want ze gaat oorverdovend hard op haar bek.

Bijna.

Vol gelach en kinderlijke energie trekt ze zich recht en probeert ze nog een andere pose. Deze lukt wel in één keer. Maar op een festival moet je, helaas, meer doen dan alleen op een grasveld zitten en drinken. Op haar programma staat dat ze nu naar de Rave Cave moet gaan, waar ze de slappe lach krijgt om een man verkleed als buitenaards wezen. Ook komt ze onderweg “de sterkste man ter wereld” tegen (iemand verkleed als krachtpatser), en motiveert een opgebaard varkenskarkas bij een eetgelegenheid haar bijna vegetariër te worden.

Mijn moeder is zielsgelukkig, een gevoel dat ik al jaren niet heb ervaren op een festival. Maar deze gemoedstoestand slaat over zodra de zon ondergaat. De mensen rondom haar worden dronken, snoepen de laatste restjes van hun pil, en gaan massaal naar de mainstage. Hier wil haar vriend de show zien van de Zweedse grootheid Alesso. Dan schiet ze even in paniek. Het lijkt wel alsof het volledige festival op dit veld staat en mijn moeder wil zich daar absoluut niet tussen bevinden. Verplicht urenlang moeten luisteren “naar die vreselijke muziek” ziet ze al helemaal niet zitten. Ze voelt zich claustrofobisch en opgesloten. Daarbij is ze ook bang om ons te verliezen in de kolkende mensenmassa. Het gevoel dat je iemand niet meer terugvindt op een festival is misschien wel de diepste, duisterste angst die we allemaal wel eens ervaren hebben. Het wordt haar even te veel en we besluiten naar het reuzenrad aan de andere kant van het terrein te wandelen.

Een iets grimmiger Tomorrowland.

Onderweg naar de attractie komen we langs een podium waar we een EDM-remix van CoCo van O.T. Genasis horen. Er is amper volk, maar aan sfeer geen gebrek. Zodra mijn mama nummers hoort die ze vaag herkent, wordt ze weer vrolijk – iets waar ik mezelf ook maar al te goed in herken. De lyrics van een bekende Top 40-hit zijn op zo’n moment een lichtpuntje in de festivalduisternis waar geen eind aan lijkt te komen.

We dansen en ondertussen legt ze me uit dat er in een track vaak een specifieke soort opbouw zit: eerst is de muziek nog relatief rustig, die wordt gestaag opzwepender en na enkele seconde stilte hoor je plotseling: “tsjoek tsjoek tsjoek”. Dat is het moment dat je met z’n allen de lucht in moet springen, zegt ze. Ik weet het niet zeker, maar volgens mij legt ze me uit wat ‘de drop’ is. Op dat moment passeert een congalijn van drie mensen waar mijn mama zich bij aansluit. Er komt een man naar haar toe om haar een knuffel te geven. Hij zegt: “Ik ben zo ongelooflijk blij dat je hier bent.” Dan is hij weer weg. Mijn mama straalt, en ik laat mijn uitleg over de effecten van xtc maar achterwege.

Mijn mama in euforie.
Mijn moeder in de congalijn.

Even later zitten we eindelijk in het reuzenrad en we genieten van de fonkelende lichtjes van het festivalterrein. Het is net een kleine stad waar we vermoeid, maar voldaan naar staren. “De muziek is niets voor mij, maar ik word zo gelukkig van de mensen die hier rondlopen,” vertelt ze me. “Terwijl in het dagelijkse leven niemand met elkaar praat of vreemden elkaar nooit zouden knuffelen, is het hier zo normaal om liefdevol met elkaar om te gaan.” Ja dat is zo, mamaatje, antwoord ik.

Mijn moeder heeft een romantische ziel. Ergens snap ik wel waarom ze het festival zo’n bijzondere ervaring vindt. Een dag lang betreedt ze een volwassen speeltuin waar (voor enkele dagen en vooral niet langer) gedroomd wordt over vrede op aarde, waar vreemden elkaar durven aanspreken zonder meteen de politie erbij te halen, en waar ze schaamteloos op de drop mag springen, terwijl ze bergschoenen aan heeft en er twee palmbomen uit haar hoofd groeien.

Een dagje Tomorrowland met mijn moeder heeft me getoond waarom ik een hekel heb aan festivals, maar ook waarom ik ze eigenlijk nog een tweede kans zou moeten geven. Ergens in die mist van EDM-gedreun, lasershows, zweterige borstkassen, glitters en geforceerde idealen voor een betere wereld ben ik mijn cynisme verloren. Of die weer terugkeert zodra ik over een paar weken een weekend lang naar Lowlands ga, zullen we zien, maar tot die tijd heb ik er weer zin in.

Volg Noisey op Facebook , Instagram en Twitter .