Quantcast

Hoe ik mijn geboortedorp Ruigoord zag veranderen in een mainstream feestlocatie

De grote dancefeesten met indianentooien, ‘vrije geesten’ en drugs zijn vreemd voor iemand die hier geboren en getogen is.

Lisa Gritter

Coverbeeld door Welmer Laan, andere foto's door auteur

Onlangs maakte de Stichting Landjuweel – verantwoordelijk voor de culturele programmering van Ruigoord – bekend dat het dorp stopt met het organiseren en faciliteren van grote dance-evenementen. "Festivals zijn mainstream geworden, terwijl Ruigoord dat nooit is geweest. Dus moeten we een andere kant op," luidt de verklaring. Ik, geboren en getogen Ruigoordse, sloeg een zucht van verlichting. Ik had altijd gemengde gevoelens over hoe vriend en vijand naar mijn geboortedorp afreisden voor een dik feest of festival, gekleed in hippie-outfits en indianentooien. Om uit te leggen hoe het is om mijn dorp in een feestgelegenheid te zien veranderen, moet je ook begrijpen hoe het was om daar op te groeien. Ik zal beginnen bij het begin.

In 1973 zag een kunstenaar het kraakpand waarin hij woonde ­– K65 aan de Keizersgracht – vervallen door de komst van heroïne. Een paar jaar daarvoor werd er nog de hele nacht gedanst en muziek gemaakt, met illegale shows van Nico van The Velvet Underground en hooggeëerd bezoek van Keith Richards. Nu werden er dingen gestolen en zag de kunstenaar het pand langzaam vervuilen. In de krant las hij over een dorp genaamd Ruigoord en via via ving hij op dat mensen er iets mee van plan waren. Later dat jaar kraakte hij, met nog wat anderen, een huis in Ruigoord. Het werd de woning tegenover de kerk, een voormalige kruidenierswinkel. In 1979 kwam een vrouw naar Ruigoord, die al snel een keet mocht bouwen op een stukje land. De kunstenaar en de vrouw werden verliefd en in datzelfde jaar trokken ze samen in het huis tegenover de kerk. Vervolgens kregen ze hun eerste dochter en in 1982 kwam de tweede. Die laatste dochter ben ik, wat mij een van de 15 tot 20 andere kinderen maakt die geboren en getogen zijn in Ruigoord.

Wanneer je iemand voor het eerst ontmoet, wordt er geregeld gevraagd waar je vandaan komt. Als ik daarop moet antwoorden en vertel dat ik uit Ruigoord kom, volgt altijd wel een van de volgende vijf reacties:

1. "Waar ligt dat dan?"
2. "Ha, dus je bent een hippie!"
3. "Dat zie ik helemaal niet aan je. Je bent zo normaal."
4. "Ah, Ruigoord! Dan moet je (willekeurige naam) ook kennen!"
5. "Ah, Ruigoord! Daar heb ik ook jaren gewoond!"

Die eerste is niet zo'n hele gekke reactie. Dat het ergens tussen Haarlem en Amsterdam ligt is het enige dat ik dan hoef te zeggen. De laatste is bij uitstek het vreemdst, maar gek genoeg komt deze reactie vaker voor dan je denkt. Alle Ruigoordkinderen hebben deze wel eens gehoord. Dat iemand je in de ogen aankijkt en glashard beweert er ook te hebben gewoond. Wat ik dan antwoord? Meestal niets, of iets als: "Goh, wat gek dat we elkaar dan nooit gezien hebben." Ik wil de persoon tegen wie ik het heb op zo'n moment niet in verlegenheid brengen.

Maar laat ik vooropstellen dat ik een fantastische jeugd heb gehad in Ruigoord, en achteraf ook best een bijzondere. Het was zelfs utopisch te noemen. De deuren waren nooit op slot, auto's hadden de sleutels er nog in omdat ze gedeeld werden door meerdere gezinnen, iedereen liep bij elkaar naar binnen en ouders pasten op elkaars kinderen. Het land rondom het dorp werd in de jaren zeventig door de gemeente Amsterdam met zand opgespoten, met als doel industrie aan te trekken. De oliecrisis kwam ertussen, de krakers kwamen en wat overbleef was een dorpje vol kunstenaars, schrijvers, muzikanten en zelfverklaarde levensfilosofen. Dit allemaal omringd door een enorme zandvlakte, in de volksmond ook wel het zand van Joop den Uyl genoemd. Voor de kinderen in het dorp was dit één grote speeltuin. We bouwden ondergrondse hutten, begonnen geheime clubjes op heuvels of in bomen, maakten urenlange moeraswandelingen, zwommen in de zomer in ons eigen meertje met zelfgemaakte duikplank en schaatsten in de winter op de bevroren plas achter ons huis.

Er waren ook feesten, maar die waren toen nog vrij intiem. Denk aan verjaardagen, feestjes met vrienden, kunst- en bouwprojecten, of etentjes in het restaurant dat een bewoner in haar huis begon. Op zaterdag vonden in de kerk djembé-lessen plaats en op zondag liep de kerk vol met ayahuasca-liefhebbers in witte gewaden. Ook was er een bar in de 'luchtbus', een oud verbouwd voertuig waarmee een groep bewoners eens per jaar naar India en andere verre landen trok. Ook het Landjuweel – Ruigoords eigen jaarlijkse meerdaagse festival – was er toen al, maar nog in een bescheiden setting. Bewoners hadden er kraampjes, er was een bar en wij traden op met Kindercircus RuigTuig. Ondanks dat er ayahuasca werd gebruikt op het terrein, moesten wij gewoon op tijd naar bed, huiswerk maken en met tegenzin onze kamers opruimen.

Na een deel van mijn tienerjaren door te brengen in Ruigoord, vertrok ik in 2001 om op kamers te gaan. Mijn ouders verlieten Ruigoord een jaar later omdat het moest: in het dorp mocht vanaf toen op last van de gemeente Amsterdam niet meer gewoond worden en de huizen werden ateliers. Daarnaast waren mijn ouders de feesten en beukende bassen zat, want die jaren werden de evenementen alsmaar groter. In de jaren negentig kwam de dance naar Ruigoord en is daar eigenlijk nooit meer weggegaan. De omslag van dorp naar feestlocatie was niet meer terug te draaien. Officieel omdat het van de gemeente een 'culture vrijplaats' moest worden, wat de redding was voor een bedreigd dorp dat de gemeente liever als haventerrein zag.

De laatste paar jaar is Ruigoord een soort feestgemeengoed geworden. Wij staan als we mazzel hebben op de gastenlijst en moeten ons bij een balie melden voor een polsbandje. Mijn ouderlijk huis is tijdens festivals een vintage kledingwinkel en het huis van een goed vriendinnetje van mij is gesloopt. Nu gaan vrienden, collega's en totale vreemden met z'n allen naar de kerk om tot diep in de nacht te feesten, met vaak flink wat drank en drugs achter de kiezen. Dat voelt wat gek.

Het is vreemd omdat het dorp waar wij onze utopische jeugd beleefden, zijn authenticiteit lijkt te verliezen. Ruigoord staat bekend als hippiedorp, iets wat veel mensen ertoe beweegt zich voor de gelegenheid te kleden in een vissersbroek uit Thailand, zich te wikkelen in kleurrijke doeken of een veer in het haar te steken. Ook gaan mensen op willekeurige momenten hoelahoepen, op blote voeten uiteraard. Voor die mensen is een feestje of festival in Ruigoord een vlucht uit het dagelijks leven, daar mag alles en kan je voor een paar uur of enkele dagen even helemaal losgaan. Op maandag heb je de selfies nog om te bewijzen wat voor een ontzettend vrije geest jij wel niet bent. Er is nog weinig over van hetgeen waar onze ouders voor vochten – na het kraken is er jarenlang geprotesteerd, geprocedeerd en onderhandeld voor behoud van het dorp. De ruimdenkende normen en waarden waarmee wij zijn opgegroeid zijn grotendeels verdwenen.

Dat dit niet alleen in onze hoofden speelt en het hier niet slechts om mijn eigen nostalgie gaat, blijkt wel uit het feit dat ook het dorp zelf worstelt met de nieuwe identiteit. Dat is waarom de Stichting Landjuweel besluit dat het dorp stopt met grote dancefeesten. Daarom wordt tijdens elke dorpsvergadering gepraat over welke evenementen dan wel passen bij het mainstreamloze karakter dat Ruigoord altijd heeft gehad. Hoe behoud je authenticiteit en idealisme als er andere belangen zoals geld ineens een belangrijke rol spelen? Dat is knap lastig. Toch raden we iedereen aan eens een kijkje te nemen in ons dorp, want het is er prachtig. Maar probeer ook eens iets als de Openbare Werken, de jaarlijkse open atelierroute. Of loop je zondagse kater er eens af met een wandeling door het dorp op een zonnige dag. Goed nieuws: je hoeft niet per se drugs te gebruiken, je hoeft niet te kunnen hoelahoepen, je schoenen mag je aanhouden en glitters op je gezicht zijn niet verplicht. Die indianentooi mag je ook thuislaten.